Instructietaal bestaat uit woorden en formuleringen die je vragen om iets
te doen. Het begrijpen van deze taal is heel belangrijk. Soms kan je punten verliezen omdat je een instructie niet goed uitvoert.
Het is onmogelijk om alle mogelijke instructiewoorden op te lijsten. Hieronder vind je
een belangrijke selectie.
| Vraag | Antwoord |
Arceer enkel de ruit in de onderstaande geometrische vormen.
[Arceer = teken in een vlak schuine strepen] |
|
Situeer de onderstaande afbeelding.
[Situeer = zeg wat het is, waar je het kan vinden en wanneer het is gemaakt/in welke tijd het zich afspeelt] |
Dit is een muurtekening van een dier (een os?). Deze muurtekening komt uit de prehistorie. Ze is gevonden in grotten van Lascaux. |
|
Citeer twee argumenten uit de tekst bij de stelling ‘roken is slecht’. [Citeer = zeg wat de letterlijke woorden zijn van de schrijver. Plaats die woorden tussen aanhalingstekens.] |
De auteur zegt: “Het is slecht voor de gezondheid”. Hij zegt ook het volgende: “Tabakswaren zijn tegenwoordig heel duur.” |
| Vraag | Antwoord |
|
Schets de normaalkracht van een auto op een helling.
[Schets (letterlijk) = maak hier een tekening van, met de belangrijkste elementen] |
|
|
Schets de opkomst van het fascisme tussen de twee wereldoorlogen.
[Schets (figuurlijk) = geef de belangrijkste elementen, vat dit samen. Je moet geen tekening maken.] |
De term 'fascisme' onstond in Italië in 1919... In 1922 werd het fascisme ingevoerd... |
|
Evolueerde Gezelle als dichter? Leg uit en illustreer aan de hand van enkele dichtbundels.
[Illustreer (bijna altijd figuurlijk) = toon dit duidelijk aan met één of meerdere voorbeelden.] |
Gezelle evolueerde duidelijk van ... naar .... In zijn eerste dichtbundel '...' zitten kenmerken van ... Zijn volgende dichtbundel is eerder... |
Geef twee kenmerken van de gotische bouwkunst. Pas deze kenmerken toe op
de onderstaande afbeelding.
[Pas toe = zeg hoe je algemene kenmerken kan terugvinden in een paar concrete voorbeelden.] |
Deze kunst streefde naar meer verticaliteit (kenmerk 1) en naar meer licht (kenmerk 2). Hier zie je dit door de spitsbogen in deze kathedraal. Je ziet hier ook de heel grote, langwerpige ramen. |
| Vraag | Antwoord |
|
a) Benoem de onderstaande dieren. b) Tot welke diersoorten behoren ze? c) Vergelijk twee kenmerken van deze diersoorten.
[Benoem = geef de naam van iets.] [Vergelijk = zeg hoe twee of meer dingen op mekaar lijken.] |
a) Op afbeelding 1 zie je een kikker en op afbeelding 2 staat een slang. b) Een kikker is een amfibie en een slang is een reptiel. c) Een amfibie is koudbloedig en een reptiel ook. Een amfibie kan zowel in het water als op het land leven. Een reptiel leeft enkel op het land. |
|
Bespreek het verhaalelement ‘tijd’ voor dit verhaalfragment.
[Bespreek = geef alle kenmerken van iets en zeg hoe deze kenmerken voorkomen (= geef voorbeelden)] |
De kalendertijd in dit fragment is blijkbaar een avond, waarschijnlijk ergens in de 21e eeuw. Je ziet dit door… De chronologie van dit verhaal wordt niet doorbroken, want…. Het tempo van het gaat verhaal snel, omdat…. |
|
a) Welke drie reliëfelementen kan je afleiden uit de onderstaande tekening? b) Bepaal daarna de reliëfvorm.
[Afleiden = bepalen. Uit een aantal elementen/voorbeelden iets begrijpen, concluderen] |
a) De horizonlijn is getand. Het hoogteverschil is groot. De helling is steil. b) Door deze drie elementen is de reliëfvorm een gebergte. |