In (bijna) alle vakken werk je met teksten. We gebruiken hier het woord ‘tekst’ als een breed begrip. Ook videofragmenten, uiteenzettingen van de leerkracht, presentaties door medeleerlingen zijn eigenlijk ‘teksten’.
Hieronder vind je een aantal vaktermen en begrippen die binnen de lessen Nederlands vaak worden gebruikt om teksten te benaderen. Veel van deze termen komen letterlijk uit de leerplannen Nederlands. Ze zijn alfabetisch gerangschikt. Als termen nauw verwant zijn aan andere termen in de lijst, zie je vaak een doorverwijzing (>).
Sommige trefwoorden bevatten een actieve link. Als je op deze link klikt, kom je uit op de webpagina
waarin dat trefwoord het meest gebruikt wordt.
A
Academische taal(> Schooltaal)
Taal die gebruikt wordt op hogescholen en universiteiten. Deze taal is vaak nog abstracter dan schooltaal (bijv. hiaat, correlatie, abstraheren, sinecure,…)
Oefenen op schooltaal en academische taal kan je via Smartschool>Het hospiTaal> oefeningen.
Alinea(> Paragraaf)
Blokje tekst met één hoofdgedachte. Alinea’s worden van mekaar gescheiden door witregels of door inspringingen.
Alineaverband
Manier waarop een alinea aansluit bij de vorige alinea.
De volgende alineaverbanden staan in de Taalgids:
chronologische, opsommende, vergelijkende, tegenstellende, toelichtende,
evaluerende, verklarende, samenvattende
Argument (> Drogreden)
Uitspraak die een stelling ondersteunt of tegenspreekt. In de eerste graad leren we in het vak Nederlands wat een feit en een mening is. In de tweede graad leren we argumenten en stellingen te onderscheiden. In de derde graad leren we argumenten en drogredenen te benoemen en te beoordelen.
De volgende soorten argumenten staan in de Taalgids: cijfers en onderzoeksresultaten, feiten/waarneming/observatie, wetten/reglementen/contracten, oorzaak-gevolg, gezag (autoriteit), vergelijking (analogie), normen en waarden, pragmatische argumentatie (voor- en nadelen)
Auteur(> Communicatiemodel)
Zender van een geschreven tekst.
Betrouwbaarheid (> Bruikbaarheid) (> Correctheid)
Eén van de drie beoordelingscriteria om bronnen te onderzoeken. Je beoordeelt de betrouwbaarheid van de tekst door te onderzoeken wie de tekst heeft geschreven (expert, passend onderzoeksdomein…), wanneer/waar de tekst is geschreven (ooggetuigeverslag, datering…) en waarom de tekst is geschreven (commerciële, politieke redenen…)
Bibliografie (> Bronvermelding)
Uitgebreide lijst van bronnen na je tekst. Korte bronvermeldingen worden vermeld in de tekst.
Bron
Oorsprong van een tekst. Als een journalist een tekst schrijft, is hij/zij de ‘auteur’ van een tekst. De naam van de krant of de website waarin deze tekst verschijnt, is dan ‘de bron’.
Bronvermelding(> Bibliografie)
Aanduiding in de tekst waar de informatie vandaan komt. Bronvermeldingen zet je zowel in je tekst, als na je tekst. Een uitgebreide bronvermelding na je tekst noem je een bronnenlijst of bibliografie.
Centrale vraag / centrale stelling
Eén vraag waarop de hele tekst een antwoord formuleert, of één stelling die de kern vormt van de hele tekst. Een centrale vraag of een centrale stelling formuleer je als een mededelende volzin, of een vragende volzin bij het onderwerp.
Communicatiemodel
Traditioneel model dat erg vaak wordt gebruikt om teksten te analyseren.
De volgende factoren van het communicatiemodel staan in de Taalgids:
zender (auteur/bron), boodschap, ontvanger (doelpubliek), kanaal (of medium), code (teksttype), tekstdoel, ruis, effect, feedback en context.
Context (> Interactie)(> Taalsteun)(> Communicatiemodel)
Eén van drie leidende principes binnen het Taalgericht Vakonderwijs, naast interactie en taalsteun. De context is alle randinformatie die je nodig kan hebben om teksten te begrijpen. Teksten worden veel beter begrepen en onthouden als ze in hun context worden geplaatst (wanneer geschreven? door wie? voor wie? waarom?). Daarom is de context ook een vast element binnen het communicatiemodel.
Drogreden
Argumentatievorm die vaak niet aanvaard wordt.
De volgende drogredenen staan in de Taalgids:
Foutieve oorzaak-gevolgrelatie/ foutieve vergelijking (foute analogie)/ veralgemening ('generalisatie')/persoonlijke mening (waardering)/cirkelredenering/ persoonlijke aanval ('op de man spelen')/verdraaien van de stelling/ gevoelens ('pathos')/ eigen kwaliteiten/machtsmisbruik ('ethos')/meerderheid/onwetendheid/'zwijgen is toestemmen'/ontduiken van de bewijslast/’bewijs uit het ongerijmde'
F
G
Ghostwriting
Het laten schrijven van teksten door anderen (ouders, vrienden, AI).
Hoofdgedachte (> Onderwerp) (> Centrale vraag)
Geeft een antwoord op de centrale vraag of de centrale stelling van de tekst. Het is dus een heel korte samenvatting van de tekst.
Hypothese
Veronderstelde resultaten bij een onderzoek. Je kan ook een hypothese formuleren bij een tekst (Waarover zou deze tekst kunnen gaan?)
Inleiding
Begin van een zakelijke tekst. Een goede inleiding bevat normaal gezien de volgende onderdelen:
pakkende opening / centrale vraag / achtergrondinformatie / korte vooruitblik op de rest van de tekst (te behandelen onderdelen)
Instructietaal (> Schooltaal)
Taal die op school gebruikt wordt om vragen te stellen of instructies te geven. Het maakt deel uit van de algemene schooltaal.
Interactie (> Interactie) (> Taalsteun)
Eén van de drie leidende principes binnen het Taalgericht Vakonderwijs. Teksten worden veel beter begrepen en onthouden als ze het onderwerp worden van interactie (leerlingen-leerkracht of leerlingen onderling), of als er effectief iets mee ‘gedaan’ wordt (naast het lezen).
K
Kernzin
Belangrijkste zin binnen een alinea. Meestal staat de kernzin vooraan of achteraan in een alinea. Bij studieteksten zet je best de kernzin vooraan. De kernzin kondigt dan (in het algemeen) aan wat er nadien (concreet) volgt.
M
N
Nettiquette
Een samentrekking van netwerk en etiquette. Het zijn algemene richtlijnen van hoe een school of een bedrijf zou moeten omgaan met digitale media zoals e-mail, Smartschool, gsm, enzovoort. Wordt vaak ook als ‘netiquette’ geschreven.
Onderwerp(van een tekst)
Essentie van een tekst. Een onderwerp formuleer je als een zelfstandig naamwoord met eventuele bepalingen, niet als volzin.
Onderzoeksmethode
Manier om je onderzoek uit te voeren. De meest gebruikte methodes zijn bronnenonderzoek (literatuurstudie) en veldonderzoek (observatie, enquête, interview…)
Onderzoeksvragen (> Centrale vraag)
Vragen waarop iemand in zijn/haar onderzoek een antwoord zal geven. De belangrijkste onderzoeksvraag noem je ook de centrale (onderzoeks)vraag. Een onderzoeksvraag mag niet te ruim of te beperkt zijn, niet te moeilijk, maar ook niet te evident.
De volgende soorten onderzoeksvragen staan in de Taalgids:
beschrijvend of definiërend/chronologisch/vergelijkend/verklarend/evaluerend/probleemoplossend/voorspellend
OVUR
Letterwoord dat staat voor Oriënteren – Voorbereiden – Uitvoeren – Reflecteren. OVUR is een belangrijke strategie om veel doordachter teksten te benaderen of teksten te produceren.
Bijv.
Waarover zou deze tekst kunnen gaan? (oriënteren) / Welke vragen zouden in deze tekst worden beantwoord? (voorbereiden) / Ga op zoek naar de antwoorden op deze vragen (uitvoeren) / Kreeg je na het lezen voldoende antwoorden op je vragen? Leg uit waarom. (reflecteren)
Pakkende opening (> Pakkende afsluiter)
Eerste deel van de inleiding van een tekst. Een pakkende opening wordt gebruikt om direct de aandacht van de lezer/toehoorder te vatten.
De volgende pakkende openingen en afsluiters staan in de Taalgids:
actualiteit/anekdote/citaat/ik-opening/jij-opening/historische opening/retorische vraag/vraag aan het publiek/paradox
Pakkende afsluiter (> Pakkende opening)
Laatste deel van het slot van een tekst. Een pakkend slot wordt gebruikt als aanvulling bij de conclusie.
De volgende pakkende openingen en afsluiters staan in de Taalgids:
ronde afsluiter/samenvatting/conclusie/toekomstverwachting/ aansporing/uitsmijter
Paragraaf (> Alinea)
Verzameling van samenhorende alinea’s. Paragrafen worden vaak van mekaar gescheiden door paragraaftitels.
Plagiaat
Het letterlijk overnemen van woorden en zinnen van anderen, in je eigen voordeel.
R
S
Samenvatting (> Schema)
Een voorstelling van informatie in een korte tekst, met volzinnen. Een samenvatting is vooral bedoeld om gelezen te worden door anderen. Teksten die je moet schrijven voor je leerkracht zijn dus vaak samenvattingen, geen schema’s.
De volgende soorten samenvattingen staan in de Taalgids:
Samenvatting van een zakelijke tekst en literaire tekst / verslag van een stage / verslag van een practicum / paper
Schema (> Samenvatting)
Een voorstelling van informatie met pijltjes, symbolen, afkortingen... Een schema is bedoeld om belangrijke ideeën te ordenen of te visualiseren. Om teksten in te studeren voor school maak je best een schema, geen samenvatting.
De volgende soorten schema’s staan in de Taalgids:
Boomschema/spindiagram/T-schema/tijdlijn/stroomdiagram
Schooltaal (> Academische taal)
Taal die door leerkrachten op school gebruikt wordt. Schooltaal bestaat uit specifieke vaktaal (discriminant, biotische index, anticline,…), schoolse instructietaal (bewijs, verklaar, pas toe…) en een vrij abstract taalgebruik (factor, relevant, objectief…).
Signaalwoord (> alineaverband) (> tekststructuur)
Eén of meerdere woorden die een verband leggen tussen zinnen, alinea's of teksten. Vaak zijn dit voegwoorden (en, of, maar,…) of voegwoordelijke bijwoorden (dus, bovendien, echter…)
De volgende soorten signaalwoorden staan in de Taalgids:
chronologische, opsommende, vergelijkende, tegenstellende, toelichtende, evaluerende, verklarende, samenvattende
Schrijfkader/Spreekkader
Hulpmiddel om teksten te schrijven. In een schrijfkader/spreekkader staan suggesties, halve voorbeeldzinnen of aangepaste formuleringen die je in je tekst kan gebruiken.
De volgende schrijfkaders/spreekkaders staan in de Taalgids:
een beoordeling/een review/een recensie/een lezersbrief/een column/een winkelconcept…
Standpunt (> Stelling) (> Argument)
Perspectief, manier om iets te bekijken. In discussies gebruik je vaak de termen ‘pro’ of ‘contra’ om het standpunt van iemand te omschrijven.
Stelling (> Standpunt) (> Argument)
Mening die je formuleert over een onderwerp. Een stelling moet altijd een volzin zijn: het bevat het onderwerp en een basisuitspraak over dat onderwerp. Een stelling is altijd algemener dan het argument dat erbij hoort.
Subvraag (> Centrale vraag) (> Tekststructuur)
Vaste, onderliggende vraag bij een centrale vraag. Een subvraag wordt soms wel, soms niet beantwoord in een tekst. De centrale vraag bij het teksttype ‘recept’ is de vraag ‘Hoe maak je …. klaar?’ De subvraag zou kunnen zijn ‘Welke ingrediënten heb je voor …. nodig?’ Deze centrale vraag en subvraag komen vaak voor bij de ‘handelingsstructuur’ (soort tekststructuur).
Taalsteun (> Context) (> Interactie) (> Woordstrategie)
Eén van drie leidende principes binnen het Taalgericht Vakonderwijs, naast context en interactie. Teksten worden veel beter begrepen en onthouden als je middelen krijgt om de taal in de tekst te begrijpen, zoals woordverklaringen of woordstrategieën.
Tekstdoel (> Tekstsoort) (> Teksttype)
Dat wat de auteur van een tekst probeert te bereiken bij de lezers/toehoorders.
De volgende tekstdoelen staan in de Taalgids:
informeren/overtuigen/aanzetten tot iets (activeren)/gevoelens opwekken (emotioneren)/ontspannen (diverteren)/instructies geven
Tekststructuur (> Centrale vraag) (> Subvraag)
Standaardpatroon dat een tekst kan volgen. Sommige teksten kunnen aan meer dan één tekststructuur beantwoorden. Tekststructuren hangen nauw samen met bepaalde types van centrale vragen en subvragen.
De volgende tekststructuren staan in de Taalgids:
karakteriseringsstructuur (=beschrijvingsstructuur, indelingsstructuur) / handelingsstructuur/ vergelijkingsstructuur/ evaluatiestructuur / argumentatiestructuur / verklaringsstructuur/ probleemstructuur / maatregelstructuur / ontwikkelingsstructuur (chronologische structuur, verhaalstructuur) / onderzoeksstructuur
Teksttype (> Tekstsoort) (> Tekstdoel)
Specifieke indeling van teksten volgens hun vaste vorm en inhoud. Er zijn duizenden mogelijke teksttypes, bijvoorbeeld column, recensie, recept, wettekst, tutorial…
Tekstsoort (> Tekstdoel) (> Teksttype)
Algemene indeling van teksten volgens hun tekstdoel. Tekstsoorten worden vaak verward met ‘teksttypes’.
Topische vragen (W-vragen)
Standaardvragen die vaak worden gebruikt om de inhoud van (eenvoudige) teksten weer te geven: Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom? Hoe?
V
W
Woordstrategie
Manier om de betekenis van onbekende woorden te vinden. De meest gebruikte woordstrategieën zijn:
afleiden uit de context, betekenisonderhandeling (bijv. met medeleerlingen), opdelen in woorddelen (bijv. herkenbare Grieks-Latijnse delen), koppelen aan voorkennis (andere vakken/talen/films/actualiteit…)