'Strategie' = manier om een situatie, probleem aan te pakken
'Proces' = iets wat in verschillende stappen verloopt
|
|
| ① Zender |
De zender is degene die een boodschap verstuurt. De zender van een geschreven tekst
noem je een 'auteur'. Soms verschijnt een tekst binnenin een andere, grotere tekst. Deze 'grotere' tekst
noem je een 'bron'.
Voorbeeld hierboven: de auteur van deze tekening heet 'Lectrr'. Deze tekening verscheen in de Standaard (de bron). Bij cartoons vind je de naam van de auteur meestal onderaan. De naam van de bron kan je niet afleiden uit het bovenstaande voorbeeld. |
| ② Boodschap |
De boodschap is de inhoud die door de zender verstuurd wordt.
Voorbeeld hierboven: Je ziet een eskimo (Inuit) die weigert een petitie te ondertekenen. Hij ontkent het onderwerp van de petitie (de klimaatopwarming) terwijl er enkel woestijn rond hem te zien is. Zijn iglo is ook van stro in plaats van ijs. |
| ③ Ontvanger |
De ontvanger is de degene die de boodschap leest. Soms kiest de zender bepaalde ontvangers uit. Dit noem je dan
het doelpubliek.
Voorbeeld hierboven: Iedereen kan de tekeningen van Lectrr online bekijken. Het doelpubliek van Lectrr (en de krant de Standaard) bestaat wel vaak uit hoogopgeleide volwassenen. |
| ④ Kanaal |
Elke boodschap wordt verstuurd met een bepaald hulpmiddel. Dit hulpmiddel noemt men het 'kanaal'
of het 'medium'. Gekende media zijn het internet, de televisie, een email, een boek...
Voorbeeld hierboven: Het oorspronkelijke kanaal van deze tekening was het internet. Als het uit een papieren krant zou komen, zou de tekening wellicht iets donkerder zijn. |
| ⑤ Code |
De manier waarop de zender een bepaalde vorm geeft aan zijn boodschap, noem je de 'code' of de 'taal'. Zo kan de code
puur visueel zijn (wat je ziet) of puur auditief (wat je hoort). Visueel kan je dingen weergeven met woorden, met tekeningen, met lichaamstaal...
De woorden kunnen Nederlands, Frans, Arabisch... zijn.
Boodschappen worden vaak in herkenbare vormen 'gegoten'. Als je echt een naam kan plakken op zo'n vorm, noem je dit een 'teksttype'. Teksttypes die je vaak terugvindt in tijdschriften zijn:
Er zijn duizenden teksttypes. Sommige lijken heel sterk op mekaar, ook al krijgen ze soms een andere naam. Voorbeeld hierboven: Dit teksttype wordt een 'cartoon' genoemd. Een cartoon bestaat vaak uit één afbeelding en meestal ook uit tekst. In deze cartoon maakt Lectrr gebruik van Nederlandse woorden en één Engelse term. |
| ⑥ Tekstdoel |
De zender heeft bijna altijd een bedoeling met zijn boodschap. Dit noem je het tekstdoel. Tekstdoelen die
men vaak onderscheidt, zijn de volgende:
Veel teksten beantwoorden aan meerdere tekstdoelen. Voorbeeld hierboven: De bedoeling van Lectrr is om je te doen lachen met de cartoon (emotief). Maar hij wil je waarschijnlijk ook overtuigen van het feit dat klimaatontkenners de feiten om zich heen kunnen negeren (persuasief). |
| ⑦ Ruis? |
Het zou kunnen dat de ontvanger de boodschap niet begrijpt. Misschien is de boodschap onduidelijk geformuleerd, of moeilijk zichtbaar of
hoorbaar. Dit probleem noem je 'ruis' (of 'storing').
Voorbeeld hierboven: De lezer van deze tekening kan de humor niet snappen. De tekstballonnetjes zijn misschien ook niet zo leesbaar. |
| ⑧ Effect? |
Soms heeft een boodschap een bepaald tekstdoel, maar een compleet ander effect op de ontvanger.
Voorbeeld hierboven: De lezer van deze tekening vindt de humor misschien flauw. Misschien vindt de lezer het niet grappig, maar zelfs beledigend voor de Inuit. |
| ⑨ Feedback? |
Het kan zijn dat een bepaalde boodschap een reactie veroorzaakt. Als de ontvanger commentaar geeft op
een boodschap, noem je deze commentaar 'feedback'. Die feedback kan soms onverwacht komen. Het is daarom niet hetzelfde
als een antwoord (dat je verwacht na een vraag).
Voorbeeld hierboven: Er kunnen lezers zijn die vinden dat de Inuit belachelijk worden gemaakt met deze cartoon. Deze lezers kunnen bijvoorbeeld een comment onder deze cartoon plaatsen. |
| ⑩ Context |
Elke vorm van communicatie is gebonden aan een 'context' of een situatie/achtergrond. Sommige boodschappen kan je moeilijk(er)
begrijpen zonder de nodige context. Historische bronnen zijn bijvoorbeeld onbegrijpelijk als je de achtergrond bij de beschreven feiten niet kent.
Voorbeeld hierboven: Cartoons geven vaak commentaar op het nieuws van de dag. Deze cartoon is waarschijnlijk verschenen op een dag dat klimaatontkenners in het nieuws zijn gekomen. |
| Oriënteren | |
|
'Oriënteren' = jezelf vragen stellen - Wat wordt er van me verwacht? - Wat is het doel? - Waarover moet ik schrijven of spreken? - Voor wie schrijf ik? Voor wie spreek ik? Wie is mijn doelpubliek? - Wat weet ik al over het onderwerp? |
| Voorbereiden | |
|
'Voorbereiden' = informatie en materiaal verzamelen - Waarop moet ik zeker letten? - Welk materiaal heb ik nodig om de opdracht uit te voeren? - Waar kan ik informatie opzoeken om een mooi resultaat te bekomen? - Aan welke kenmerken moet de opdracht voldoen? - Welke stappen moet ik doorlopen om tot het eindresultaat te komen? |
| Uitvoeren | |
|
'Uitvoeren' = de opdracht echt doen - Ik voer de stappen uit. - Ben ik juist bezig? - Ik pas mijn werk aan (vorm, inhoud en taal) indien dit nodig is. |
| Reflecteren | |
|
'Reflecteren' = terugblikken op de opdracht - Deed ik het goed? Wat ging minder goed? - Ben ik tevreden met het resultaat? - Waar moet ik volgende keer rekening mee houden? - Heb ik mijn doel bereikt? Heb ik de taak gemaakt zoals gevraagd? |
| Hieronder vind je voorbeelden van leesvragen die je aan (mede)leerlingen kan stellen. De vragen zijn ongeveer gerangschikt volgens de verschillende stappen binnen de OVUR-strategie. Zo begin je eerst met het bekijken van de tekst (oriënteren). Met bepaalde ideeën in je hoofd (voorbereiden) lees je de tekst een eerste keer heel snel door. Daarna ga je op zoek naar gedetailleerde info (uitvoeren). Ten slotte blik je terug op de tekst (reflecteren). | |
|
|
|
|
|
(1) Intensief lezen op tekstniveau
(2) Intensief lezen op alineaniveau:
(3) Intensief lezen op zin– en woordniveau:
(4) Studerend lezen en schrijven
|
|
Kritisch/beoordelend lezen
|