Taalgds      


Welke signaalwoorden, alineaverbanden, tekststructuren zijn er?


Een 'signaalwoord': één of meerdere woorden die een verband leggen tussen zinnen, alinea's of teksten ('niettemin', 'in de eerste plaats',...).
     Vaak zijn dit voegwoorden of voegwoordelijke bijwoorden.
Een 'alineaverband': een relatie tussen één of meerdere alinea's. Deze relatie wordt vaak bepaald door een voegwoord(elijk bijwoord).
Een 'tekststructuur': een vaste opbouw van een tekst. Deze opbouw wordt vaak bepaald door de alineaverbanden.

    daarna, vervolgens, sindsdien, toen, nadien, in 2017… chronologische signaalwoorden(ze zeggen iets over de tijd)
    ten eerste, op de tweede plaats, een derde mogelijkheid… opsommende signaalwoorden
    evenzeer, evenals, op dezelfde wijze, vergelijkbaar hiermee… vergelijkende signaalwoorden
    enerzijds – anderzijds, aan de ene kant - aan de andere kan, maar, hoewel…. tegenstellende signaalwoorden
    zoals, zo, dat wil zeggen, met ander woorden, bijvoorbeeld, ter illustratie hiervan… toelichtende signaalwoorden (ze verklaren iets)
    positief is, het voordeel hiervan is, minder geslaagd is, beneden alle peil is echter… evaluerende signaalwoorden
    daarom, omdat, want, om die reden, … verklarende signaalwoorden
    kortom, samenvattend, dus, … samenvattende signaalwoorden
    Lastige kabouters zullen eerst je voorraadkast leegeten. Ze beginnen met...

    Daarna gaan ze op zoek naar waardevolle spullen in je huis...
    chronologische alineaverbanden(ze zeggen iets over de tijd)
    Eerst en vooral moet je vermijden dat je eten achterlaat voor kabouters. Ze gaan...

    Ten tweede moet je waardevolle spullen buiten hun bereik houden...
    opsommende alineaverbanden
    Stoute kinderen zullen vanalles beloven om maar een koekje te krijgen. Zo zeggen ze bijvoorbeeld...

    Kabouters gedragen zich op dezelfde manier...
    vergelijkende alineaverbanden
    Soms kunnen kabouters je wel helpen in het huishouden. Ze kunnen...

    Hoewel dit positief lijkt, kan het toch ook voor problemen zorgen...
    tegenstellende alineaverbanden
    Kabouters zijn redelijk onvoorspelbaar. Zo kunnen ze de ene dag grappig uit de hoek komen, maar zijn ze de volgende dag onuitstaanbaar... toelichtende alineaverbanden (ze verklaren iets). Toelichtende verbanden worden vaak binnen dezelfde alinea gelegd.
    Geef hen een koekje en ze doen je afwas of maken je ontbijt...

    Het voordeel hiervan is dat je zelf minder werk hebt...
    evaluerende alineaverbanden
    Ze gaan zich op de kortste keren thuis voelen in je gezin...

    Om die reden is het geen goed idee om hen veel aandacht te schenken...
    verklarende alineaverbanden
    Ze gaan zich op de kortste keren thuis voelen...

    Kortom: lastige kabouters kunnen het heel moeilijk maken voor jou en je gezin.
    samenvattende alineaverbanden
    Karakteriseringsstructuur. Deze structuur wordt ook wel beschrijvingsstructuur of indelingstructuur genoemd. Schoolboeken en encyclopedieartikels hebben vaak deze structuur.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Wie/Wat is X? Hoe herken je X? Waaruit bestaat X?


    Mogelijke subvragen

    • Wat zijn de kenmerken van X?
    • Tot welke soort behoort X? Wat zijn de kenmerken van die soort?
    • Waar, wanneer en onder welke omstandigheden treedt X op?
    • Uit welke soorten bestaat X? Wat zijn de kenmerken van elke soort? Welke voorbeelden zijn er van elke soort?
    Handelingsstructuur. Deze structuur beschrijft vaak een stappenplan. Je komt dit bijvoorbeeld tegen bij recepten, bijsluiters en handleidingen.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Hoe verricht je handeling X?


    Mogelijke subvragen

    • Wat is het doel van handeling X?
    • Welke hulpmiddelen (bijvoorbeeld gereedschap, ingrediënten…) zijn ervoor nodig?
    • Wat moet er stapsgewijs, in chronologische volgorde allemaal gebeuren?
    • Hoe kun je controleren of alles goed is gegaan?
    Vergelijkingsstructuur. Je gebruikt deze structuur als je twee dingen wil vergelijken. Vaak gaat dit samen met een evaluatie van deze twee dingen.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Wat zijn de overeenkomsten/verschillen tussen X en Y? • Wat zijn de voordelen/nadelen van X t.o.v. Y?


    Mogelijke subvragen

    • Welke zaken worden precies vergeleken? Op welke vlakken worden ze vergeleken?
    • Welke overeenkomsten/voordelen hebben ze?
    • Welke verschillen/nadelen hebben ze?
    • Aan welke zaak wordt de voorkeur gegeven?
    • Welke reden wordt hiervoor gegeven?
    Evaluatiestructuur. In deze teksten beoordeelt men concrete dingen (geen stellingen: daarvoor gebruikt men de argumentatiestructuur)
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Wat is de waarde (bruikbaarheid) van X?


    Mogelijke subvragen

    • Wat wordt er beoordeeld?
    • Wat zijn de relevante eigenschappen ervan? Welke aspecten worden ervan beoordeeld?
    • Wat zijn de positieve aspecten ervan?
    • Wat zijn de negatieve aspecten ervan?
    • Hoe luidt het eindoordeel over X?
    Argumentatiestructuur. Men vertrekt hier vanuit een stelling.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Wat is het standpunt over het (omstreden) onderwerp X?


    Mogelijke subvragen

    • Wat zijn de argumenten pro het standpunt?
    • Wat zijn de argumenten contra het standpunt?
    • Hoe worden de argumenten van de tegenpartij weerlegd of afgezwakt?
    • Wat is de conclusie?
    Verklaringsstructuur. In deze teksten worden dingen verklaard, vaak zonder bronvermelding. Voor uitgebreidere verklaringen gebruikt men vaker een onderzoeksstructuur.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Welke verklaring is er voor X? Wat is het verband tussen verschijnsel X en Y?


    Mogelijke subvragen

    • Over welk verschijnsel/welk verband tussen verschijnselen gaat het precies?
    • Hoe kan het verschijnsel/het verband verklaard worden?
    • Wat is oorzaak 1/oorzaak 2/oorzaak 3…?
    • Staat die verklaring vast? Welke meningsverschillen zijn er over één of meer verklaringen?
    • Welke verklaring is het meest waarschijnlijk en waarom?
    Probleemstructuur. Hier ligt de nadruk meer op de beschrijving van het probleem. Als je de focus op de oplossingen wil leggen, gebruik je een maatregelstructuur.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Wat is het probleem X?


    Mogelijke subvragen

    • Wat is het probleem precies? (concrete voorbeelden)
    • Wie is erbij betrokken?
    • Hoe groot/ernstig is het probleem? (cijfers, statistieken)
    • Wat zijn de oorzaken?
    • Welke oplossingen zijn ervoor?
    Maatregelstructuur. Hier ligt de nadruk meer op een beschrijving van de oplossingen.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Welke maatregelen zijn er voor probleem X?


    Mogelijke subvragen

    • Wat zijn de maatregelen precies? (concrete voorbeelden)
    • Waarom zijn de maatregelen nodig?
    • Hoe/wanneer worden de maatregelen uitgevoerd?
    • Wat zijn de (verwachte) effecten van de maatregelen?
    • Welke voor- en nadelen kunnen de maatregelen hebben?
    • Welke maatregel is de beste?
    Ontwikkelingsstructuur. Deze structuur wordt ook 'chronologische structuur' of 'verhaalstructuur' genoemd.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Hoe heeft X zich in de loop der tijd ontwikkeld?


    Mogelijke subvragen

    • Over welke (historische) ontwikkeling gaat het precies?
    • Wat zijn de verschillende stappen in de ontwikkeling daarvan? Waar en wanneer vonden die plaats?
    • Wat zijn de verklaringen voor de overgangen van de ene fase naar de andere?
    • Wat is het voorlopig eindpunt?
    Onderzoeksstructuur. Deze structuur gebruik je vooral voor papers en wetenschappelijke verslagen.
    Voorbeeld Uitleg ['X' = het onderwerp van de tekst]
    Centrale vraag

    • Wat zijn de bevindingen over onderzoek X?


    Mogelijke subvragen

    • Welk onderwerp wordt er onderzocht?
    • Hoe komt men aan dat onderwerp?
    • Waarom wordt het onderzocht?
    • Werd het al vaker onderzocht?
    • Wat is het doel van het onderzoek?
    • Welke hypothese stelt men over de resultaten van het onderzoek?
    • Wat is de onderzoeksmethode?
    • Wat zijn de resultaten van het onderzoek?
    • Wat is de conclusie uit het onderzoek?