Taalgds      


Woordsoorten


Elk individueel woord in het Nederlands behoort tot een 'woordsoort' (zelfstandig naamwoord, lidwoord...). Vele woordsoorten (niet allemaal) kan je benoemen zonder de rest van de zin te bekijken. Als je echt de functie van het woord -of meerdere woorden- in de zin wil benoemen, gebruik je 'zinsdelen': onderwerp, persoonsvorm, lijdend voorwerp...

    Bekijk als voorbeeld de woorden uit de volgende flauwe mop:

    Kan iemand mij één mooi voorbeeld geven van het gezegde ‘eerlijk duurt het langst’? Ja, mevrouw. Als ik mijn huiswerk overschrijf van iemand anders, dan duurt dit kort. Maar als ik het eerlijk zelf maak, dan duurt het lang.
    Voorbeeld Uitleg
    kan werkwoord verbe Een werkwoord drukt een handeling, een werking, een actie uit. Elk werkwoord kent 'vervoegingen '. Werkwoorden komen vaak voor in verbinding met persoonlijke voornaamwoorden ('jij','ze','wij'...). Er zijn verschillende soorten werkwoorden:

        Zelfstandige werkwoorden: 'Hij zingt', 'zij werkt', 'jullie kopen'...
        Koppelwerkwoorden: 'Hij is', 'ze lijkt', 'het schijnt'...
        Hulpwerkwoorden: 'Hij heeft gezongen', 'zij zal werken', 'het is gekocht',...
    iemand (onbepaald) voornaamwoord pronom (indéfini) Een voornaamwoord is een woordsoort die naar iets anders verwijst (de 'referent' of het 'antecedent'). Meestal veranderen ze niet van vorm. Er zijn verschillende soorten voornaamwoorden:

        persoonlijke: Ik ken hem.
        bezittelijke: Dat is zijn probleem.
        wederkerende:Hij vergist zich.
        wederkerige:Ze kennen mekaar.
        aanwijzende: Die man ken ik.
        vragende: Wie bedoel je?
        betrekkelijke: Jan, die jij goed kent...
        onbepaalde: Iedereen aanwezig? Allemaal ok?
        uitroepende: Wat een gedoe!
    één telwoord numéral Met een telwoord duid je aantallen aan. Je hebt hoofdtelwoorden ('één', 'twee', 'drie'...) en rangtelwoorden ('derde', 'vierde', 'vijfde'...). Sommige zijn bepaald ('vijf', 'elfde', 'vierentwintigste'...), andere onbepaald ('weinig', 'veel', 'enkele'...)
    mooi bijvoeglijk naamwoord adjectif Een bijvoeglijk naamwoord of adjectief duidt een eigenschap, kenmerk... van een ander zelfstandig woord aan. Het staat vaak bij een zelfstandig naamwoord, maar het kan ook alleen voorkomen (het wordt dan 'predicatief' gebruikt). Bijvoorbeeld: 'Het mooie huis' – 'het huis is mooi'. Een bijvoeglijk naamwoord kan vaak 'verbogen' worden.
    voorbeeld zelfstandig naamwoord substantif Een zelfstandig naamwoord of substantief duidt een zelfstandig iets aan (mens, dier, ding,...). Soms staat er een lidwoord bij ('de', 'het', 'een').
    van voortzetsel préposition Voorzetsels kan je niet aanpassen. Ze geven een bepaalde relatie aan met andere woorden binnen een zinsdeel. In de lagere school leerde je ze misschien in combinatie met het woord 'kooi': 'op de kooi, in de kooi, door de kooi, over, boven, naast, langs', enzovoort.
    het (bepaald) lidwoord article (défini) Lidwoorden zijn functiewoorden die vaak aanduiden hoe 'bepaald' een woord is. Er is een verschil tussen 'Ze ontmoette de jongen' en 'ze ontmoette een jongen'. In zin 1 kennen we de jongen al, in zin 2 nog niet. Er zijn drie lidwoorden in het Nederlands: 'de', 'het' en 'een'. 'De' en 'het' zijn bepaald, 'een' onbepaald. In het Frans moet je vaak het geslacht aangeven met een lidwoord ('un homme', 'une femme'), in het Nederlands niet ('een man', 'een vrouw').
    ja tussenwerpsel interjection Tussenwerpsels drukken vaak een emotie, klank... uit. Ze komen altijd in dezelfde vorm voor en maken geen deel uit van een zinsdeel. Tussenwerpsels zijn bijvoorbeeld ‘hallo’, ‘mmm’, ‘goddank’...
    als voegwoord conjonction Voegwoorden geven aan dat er een verband tussen twee woorden, woordgroepen of zinnen bestaat. Het is onveranderlijk. Bijvoorbeeld: 'Wie ken je: Nico of Bram?'; Bram wist niet of Nico kwam. Vaak gebruikte voegwoorden zijn 'en', 'maar', 'of', 'als',...
    kort (duren) bijwoord adverbe Bijwoorden geven uitleg bij een andere eigenschap, toestand... Ze kunnen alleen staan, maar ook bij een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. Bijwoorden duiden op een plaats, een richting, tijd, manier, oorzaak, middel, enz.

    Let op het verschil met bijvoeglijke naamwoorden. In het Frans en het Engels krijgen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden vaak een andere vorm.

    Bijvoorbeeld:
    'Il est très heureux'. ('gelukkig' als bijvoeglijk naamwoord)
    'Heureusement, il a eu de la chance'. ('gelukkig' als bijwoord)
    'She is a beautiful girl'. ('mooi' als bijvoeglijk naamwoord)
    'She sings beautifully'. ('mooi' als bijwoord)

    Voorbeeld
    kan werkwoord verbe verb Verb
    iemand (onbepaald) voornaamwoord pronom (indéfini) (indefinite) pronoun (unbestimmtes) Pronomen
    één telwoord numéral numeral Zahlwort
    mooi bijvoeglijk naamwoord adjectif adjective Adkjektiv
    voorbeeld zelfstandig naamwoord substantif noun Substantiv
    van voortzetsel préposition preposition Präposition
    het (bepaald) lidwoord article (défini) (definite) article (bestimmter) Artikel
    ja tussenwerpsel interjection interjection Interjektion
    als voegwoord conjonction conjunction Konjunktion/Bindewort
    kort (duren) bijwoord adverbe adverb Adverb