Elk individueel woord in het Nederlands behoort tot een 'woordsoort' (zelfstandig naamwoord, lidwoord...). Vele woordsoorten (niet allemaal) kan je benoemen zonder de rest van de zin te bekijken. Als je echt de functie van het woord -of meerdere woorden- in de zin wil benoemen, gebruik je 'zinsdelen': onderwerp, persoonsvorm, lijdend voorwerp...
|
Bekijk als voorbeeld de woorden uit de volgende flauwe mop:
Kan iemand mij één mooi voorbeeld geven van het gezegde ‘eerlijk duurt het langst’? Ja, mevrouw. Als ik mijn huiswerk overschrijf van iemand anders, dan duurt dit kort. Maar als ik het eerlijk zelf maak, dan duurt het lang. |
|||
| Voorbeeld |
|
|
Uitleg |
| ① kan | werkwoord | verbe |
Een werkwoord drukt een handeling, een werking, een actie uit. Elk werkwoord kent 'vervoegingen '.
Werkwoorden komen vaak voor in verbinding met persoonlijke voornaamwoorden ('jij','ze','wij'...). Er zijn verschillende soorten werkwoorden:
Zelfstandige werkwoorden: 'Hij zingt', 'zij werkt', 'jullie kopen'... Koppelwerkwoorden: 'Hij is', 'ze lijkt', 'het schijnt'... Hulpwerkwoorden: 'Hij heeft gezongen', 'zij zal werken', 'het is gekocht',... |
| ② iemand | (onbepaald) voornaamwoord | pronom (indéfini) |
Een voornaamwoord is een woordsoort die naar iets anders verwijst (de 'referent' of het 'antecedent'). Meestal veranderen ze niet van vorm.
Er zijn verschillende soorten voornaamwoorden:
persoonlijke: Ik ken hem. bezittelijke: Dat is zijn probleem. wederkerende:Hij vergist zich. wederkerige:Ze kennen mekaar. aanwijzende: Die man ken ik. vragende: Wie bedoel je? betrekkelijke: Jan, die jij goed kent... onbepaalde: Iedereen aanwezig? Allemaal ok? uitroepende: Wat een gedoe! |
| ③ één | telwoord | numéral |
Met een telwoord duid je aantallen aan. Je hebt hoofdtelwoorden ('één', 'twee', 'drie'...) en rangtelwoorden
('derde', 'vierde', 'vijfde'...). Sommige zijn bepaald ('vijf', 'elfde', 'vierentwintigste'...), andere onbepaald ('weinig', 'veel', 'enkele'...)
|
| ④ mooi | bijvoeglijk naamwoord | adjectif |
Een bijvoeglijk naamwoord of adjectief duidt een eigenschap, kenmerk... van een ander zelfstandig woord aan.
Het staat vaak bij een zelfstandig naamwoord, maar het kan ook alleen voorkomen (het wordt dan 'predicatief' gebruikt). Bijvoorbeeld: 'Het mooie huis' – 'het huis is mooi'. Een bijvoeglijk naamwoord kan vaak 'verbogen' worden.
|
| ⑤ voorbeeld | zelfstandig naamwoord | substantif |
Een zelfstandig naamwoord of substantief duidt een zelfstandig iets aan (mens, dier, ding,...).
Soms staat er een lidwoord bij ('de', 'het', 'een').
|
| ⑥ van | voortzetsel | préposition |
Voorzetsels kan je niet aanpassen. Ze geven een bepaalde relatie aan met andere woorden binnen een zinsdeel.
In de lagere school leerde je ze misschien in combinatie met het woord 'kooi': 'op de kooi, in de kooi, door de kooi,
over, boven, naast, langs', enzovoort.
|
| ⑦ het | (bepaald) lidwoord | article (défini) |
Lidwoorden zijn functiewoorden die vaak aanduiden hoe 'bepaald' een woord is. Er is een verschil tussen
'Ze ontmoette de jongen' en 'ze ontmoette een jongen'. In zin 1 kennen we de jongen al, in zin 2 nog niet.
Er zijn drie lidwoorden in het Nederlands: 'de', 'het' en 'een'. 'De' en 'het' zijn bepaald, 'een' onbepaald.
In het Frans moet je vaak het geslacht aangeven met een lidwoord ('un homme', 'une femme'),
in het Nederlands niet ('een man', 'een vrouw').
|
| ⑧ ja | tussenwerpsel | interjection |
Tussenwerpsels drukken vaak een emotie, klank... uit. Ze komen altijd in dezelfde vorm voor en maken geen deel uit van een zinsdeel.
Tussenwerpsels zijn bijvoorbeeld ‘hallo’, ‘mmm’, ‘goddank’...
|
| ⑨ als | voegwoord | conjonction |
Voegwoorden geven aan dat er een verband tussen twee woorden, woordgroepen of zinnen bestaat. Het is onveranderlijk.
Bijvoorbeeld: 'Wie ken je: Nico of Bram?'; Bram wist niet of Nico kwam. Vaak gebruikte voegwoorden zijn 'en',
'maar', 'of', 'als',...
|
| ⑩ kort (duren) | bijwoord | adverbe |
Bijwoorden geven uitleg bij een andere eigenschap, toestand... Ze kunnen
alleen staan, maar ook bij een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord.
Bijwoorden duiden op een plaats, een richting, tijd, manier, oorzaak, middel, enz.
Let op het verschil met bijvoeglijke naamwoorden. In het Frans en het Engels krijgen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden vaak een andere vorm. Bijvoorbeeld: 'Il est très heureux'. ('gelukkig' als bijvoeglijk naamwoord) 'Heureusement, il a eu de la chance'. ('gelukkig' als bijwoord) 'She is a beautiful girl'. ('mooi' als bijvoeglijk naamwoord) 'She sings beautifully'. ('mooi' als bijwoord) |
| Voorbeeld |
|
|
|
|
| ① kan | werkwoord | verbe | verb | Verb |
| ② iemand | (onbepaald) voornaamwoord | pronom (indéfini) | (indefinite) pronoun | (unbestimmtes) Pronomen |
| ③ één | telwoord | numéral | numeral | Zahlwort |
| ④ mooi | bijvoeglijk naamwoord | adjectif | adjective | Adkjektiv |
| ⑤ voorbeeld | zelfstandig naamwoord | substantif | noun | Substantiv |
| ⑥ van | voortzetsel | préposition | preposition | Präposition |
| ⑦ het | (bepaald) lidwoord | article (défini) | (definite) article | (bestimmter) Artikel |
| ⑧ ja | tussenwerpsel | interjection | interjection | Interjektion |
| ⑨ als | voegwoord | conjonction | conjunction | Konjunktion/Bindewort |
| ⑩ kort (duren) | bijwoord | adverbe | adverb | Adverb |