Zoeken op het internet of op je computer doe je via een zoekmachine.
De bekendste zoekmachine is Google, maar er zijn er nog andere: Ask, Bing, Yahoo,... Voor boeken en papers kan je gebruik maken van
gerichte zoekmachines, zoals Google Books en Google Scholar.
Een zoekmachine die internetpagina's voor jou afgaat, noem je een 'browser'. De bekendste browsers zijn Google Chrome, Mozilla Firefox en
Microsoft Edge.
Een 'url' is het adres van een webpagina (bijvoorbeeld www.olviboom.be). Een 'bron' is de naam van de 'plaats' waar je je informatie haalt.
Voor websites is dat vaak de naam van de website ('Wikipedia', 'De Standaard online', 'Van Dale online', enzovoort). Een 'auteur' is de naam van de schrijver van je bron.
| Tip 1: Gebruik trefwoorden | |
| Typ best geen volledige zinnen in het zoekvak: gebruik concrete trefwoorden. Trefwoorden formuleer je best als zelfstandige naamwoorden: bijv. 'oorzaken klimaatopwarming', 'historiek IKEA', 'nadelen winteruur'... | De zoekfuncties van de browsers worden beter en beter. Nu zou je kunnen intypen 'Wat is de hoofdstad van Argentinië' en direct het juiste antwoord krijgen als eerste zoekresultaat. Toch is het beter om te typen: 'hoofdstad Argentinië'. De volgorde van deze trefwoorden is niet belangrijk. |
| Tip 2: Gebruik meerdere trefwoorden | |
| Je gebruikt best twee of meer trefwoorden om iets op te zoeken. | Als je maar één woord intypt, krijg je bij Google vaak definities voor dat woord. Puzzelwoordenboek, woorden.org ... |
| Tip 3: Gebruik aanhalingstekens waar nodig | |
| Aanhalingstekens ("") zijn handig om direct vaste woordcombinaties te vinden, zoals spreekwoorden, titels van boeken, gekende uitspraken... Je sluit zo ook overbodige zoekresultaten uit. | Als je bijvoorbeeld op Google intypt 'betekenis als de kat van huis is, dansen de muizen', krijg je 244.000 resultaten. Als je aanhalingstekens gebruikt ('betekenis "als de kat van huis is, dansen de muizen"'), krijg je er maar 4.760. Vooral bij minder gekende titels en uitspraken kan dit handig zijn. De meeste leerkrachten gebruiken dit trucje trouwens om te checken of leerlingen plagiaat plegen... |
| Tip 4: Gebruik CTRL-F | |
| Eens je een geschikte webpagina hebt gevonden, kan je snel naar het zoekwoord gaan. Je moet enkel CTRL-F (zoeken op pagina) indrukken en het woord ingeven. | In Google Chrome wordt het woord dat je zoekt in het geel gemarkeerd. |
| Tip 5: Blijf zoeken | |
| Er zijn nog tientallen tips die je kan volgen om gericht te zoeken. De belangrijkste is echter: blijf zoeken. Je kan bijna alles vinden op het internet, maar je mag niet te snel opgeven. Lees niet enkel de eerste zoekresultaten: ze geven niet noodzakelijk de beste informatie. Soms hebben de eerste resultaten zelfs commerciële bedoelingen in plaats van informatieve. | |
| Slechte voorbeelden | Probleem | Uitleg Download taakblad en kijkwijzer |
|
'Zoogdieren' 'Welke zoogdieren zijn er?' |
Te ruim | De eerste formulering is geen onderzoeksvraag, maar een onderwerp. Een onderzoeksvraag moet als vraag worden geformuleerd. Er is trouwens veel te veel te zeggen over dit onderwerp. Een onderzoeksvraag moet veel 'concreter' zijn. De tweede vraag is iets concreter, maar nog altijd te ruim. Met zo'n vraag verwacht de lezer dat je alle zoogdieren op aarde gaat opsommen. |
| 'Leggen sommige zoogdieren eieren?' | Te beperkt | Echte ja/nee-vragen moet je vermijden als onderzoeksvraag. Je moet in je onderzoek meer kunnen beantwoorden dan ja of nee, want dit is te beperkt. |
| 'Wat zijn de voordelen en de nadelen van het bestaan van zoogdieren?' | Te moeilijk | Dit is heel moeilijk te onderzoeken. Je moet al uitgaan van een planeet zonder zoogdieren, en wat de effecten op die planeet dan zouden zijn. Je gaat hier ook geen bronnen over vinden. |
| 'Welke zoogdieren leven er in België?' | Te evident | Het antwoord op deze vraag is niet echt boeiend. Het is voor de lezer ook heel makkelijk om zelf dit antwoord op te zoeken (trefwoorden: 'zoogdieren België'). |
| Goede voorbeelden | Soort onderzoeksvraag | Uitleg |
|
'Wat zijn zoogdieren?' 'Wat zijn de kenmerken van zoogdieren?' |
beschrijvend/definiërend | Als je deze vraag als hoofdvraag van je onderzoek stelt, moet je dit sowieso uitbreiden met andere deelvragen. Als je een andere onderzoeksvraag als hoofdvraag kiest, stel je beschrijvende/definiërende vragen (als deelvraag) best aan het begin van je onderzoek. |
| 'Hoe ontstonden zoogdieren?' | chronologisch | Voor deze vraag ga je terug in de tijd. Je geeft informatie over het soort dieren waaruit zoogdieren zijn ontstaan, hoe ze zich juist hebben ontwikkeld, waarom die ontwikkeling zo is verlopen... |
| 'Wat zijn de verschillen tussen zoogdieren en andere dieren?' | vergelijkend | Je gaat een aantal dingen moeten selecteren waarin je zoogdieren wil vergelijken met andere dieren (manier van voortplanting, ademhalingsstelsel, habitat...). Dit worden dan je deelvragen. |
| 'Waarom hebben de meeste zoogdieren haren?' | verklarend | Je onderzoekt de 'lichaamsbedekking' bij alle andere dieren (veren, schubben...) en je vraagt je af waarom zoogdieren juist haren hebben (voordelen voor de soort). |
| 'Welke waarde biedt het levend baren van dieren?' | evaluerend | Zoals gezegd kan je moeilijk de voordelen of nadelen van zoogdieren onderzoeken. Je kan wel onderzoeken welke voordelen of nadelen zoogdieren halen uit het levend baren van nakomelingen. |
| 'Hoe kan je het uitsterven van sommige zoogdiersoorten voorkomen?' | probleemoplossend | De vraag hoe je het uitsterven van alle zoogdieren kan voorkomen, is waarschijnlijk te ruim. Kies een aantal andere zoogdieren (deelvraag 1) en onderzoek wat hun specifieke levensomstandigheden zijn (deelvraag 2). Zoek uit waardoor ze langzaam uitsterven (deelvraag 3) en wat de mens hieraan kan doen (deelvraag 4). |
| 'Wat zou er kunnen gebeuren als de leeuw in Afrika en India uitsterft?' | voorspellend | Deze vraag is iets makkelijker te beantwoorden dan 'wat zijn de voordelen van zoogdieren'. Je zou kunnen onderzoeken wat de functie is van de leeuw binnen de voedselketen. Dan zou je kunnen nagaan wat de effecten zijn als de leeuw verdwijnt. |
|
Download taakblad en kijkwijzer Het is niet omdat een bron vol taalfouten staat (of weinig betrouwbaar is) dat je ze nooit kan gebruiken. Veel hangt af van je onderzoeksvraag. Stel dat je onderzoeksvraag als volgt luidt: 'Hoe staan de OLVI-leerlingen tegenover het nieuwe schoolreglement?'. Je doet hierover een bevraging via een online formulier. Je kan dan moeilijk alle antwoorden die taalfouten bevatten uitsluiten. Je moet zelfs antwoorden opnemen van leerlingen die het nieuwe schoolreglement maar half hebben gelezen. Om te oordelen of een bron bruikbaar is, moet je met twee criteria rekening houden: begrijpelijkheid en relevantie. | Zeer weinig bruikbaar | Weinig bruikbaar | Voldoende bruikbaar | Zeer goed bruikbaar |
| Ik begrijp de bron helemaal niet. Ik weet niet of de bron een antwoord kan geven op mijn onderzoeksvragen. | Ik begrijp de bron voldoende. De bron is vrij relevant: ze heeft iets te maken met mijn onderwerp. Toch geeft deze bron onvoldoende antwoorden op mijn onderzoeksvragen. | Ik begrijp de bron voldoende. De bron is voldoende relevant: ze heeft zeker iets te maken met mijn onderwerp. De bron geeft een aantal antwoorden op mijn onderzoeksvragen. | Ik begrijp de bron goed. De bron heeft zeker iets te maken met mijn onderwerp. De bron geeft veel antwoorden op mijn onderzoeksvragen. |
|
Download taakblad en kijkwijzer
Of een bron taalkundig correct is, zegt vooral iets over de betrouwbaarheid van de bron. De correctheid van een
bron heeft meer te maken met inhoudelijke correctheid ervan. Je kan de inhoudelijke correctheid van een bron controleren
door meerdere sites over hetzelfde onderwerp te bezoeken. Het gevaar is echter dat sites met foute informatie vaak doorverwijzen naar
andere sites met meer foute informatie.
| Incorrect | Correct |
| In de bron staan één of meer dingen die niet kloppen. Je vindt deze foute informatie bijvoorbeeld terug via een online factchecker. | Alle informatie in de bron klopt. |
|
Download taakblad en kijkwijzer
Als je bronnen hebt gekozen die én bruikbaar zijn én correct, kan je nagaan of ze voldoende betrouwbaar
zijn voor je onderzoek. Als ze zeer weinig betrouwbaar zijn, hoef je ze niet te gebruiken. Als je twijfelt aan de betrouwbaarheid,
moet je deze twijfel ook uitdrukken. Bijvoorbeeld: 'Volgens deze bron is het zo dat...', 'deze bron beweert dat...',
'het zou hier gaan om ...'. Dit noem je 'nuanceren'. Een goed onderzoek is een genuanceerd onderzoek!
| ||||
| zeer weinig betrouwbaar | weinig betrouwbaar | voldoende betrouwbaar | zeer betrouwbaar | |
| Wie? | Er staat nergens een naam van de auteur. De makers van de bron zijn onbekend. Je kan hun namen, functie, beroep, opleiding... nergens opzoeken. | Er staat een naam van de auteur (of de organisatie) bij de bron. Als je hun naam en functie opzoekt, blijken ze geen specialisten te zijn in het onderwerp (geen historici, wetenschappers, dokters, onderzoeksjournalisten...). Ze hebben nog dingen geschreven, maar over uiteenlopende dingen (bijv. én geneeskunde, én biologie, én geschiedenis...) | Er staat een naam van de auteur (of de organisatie) bij de bron. Als het om een organisatie gaat, is ze (vrij) bekend. Als je hun naam en functie opzoekt, blijken ze meer geschreven te hebben over hetzelfde onderzoeksdomein, ook al zijn ze geen echte specialisten. | Er staat een naam van de auteur bij de bron, of de makers van de bron worden vermeld. Als het om een organisatie gaat, is ze (vrij) bekend. Als je hun naam en functie opzoekt, blijken ze specialisten te zijn in het onderwerp (historici, wetenschappers, dokters, onderzoeksjournalisten...). Ze hebben meer geschreven over hetzelfde onderzoeksdomein. |
| Wanneer? / Waar? | Bij oudere bronnen: de auteur leefde lang na de gebeurtenissen. Hij/zij woonde niet in de buurt van de feiten. Bij moderne bronnen: de informatie uit de bron is gedateerd (klopt niet meer). De informatie is sterk regionaal bepaald. De auteur heeft het niet zelf meegemaakt, of heeft de informatie niet zelf ontdekt. | Bij oudere bronnen: de auteur leefde niet lang na de gebeurtenissen, maar woonde niet in de buurt van de feiten. Bij moderne bronnen: de informatie uit de bron klopt nog altijd. De informatie is sterk regionaal bepaald. De auteur heeft het niet zelf meegemaakt, of heeft de informatie niet zelf ontdekt. | Bij oudere bronnen: de auteur leefde tijdens de gebeurtenissen, of woonde in de buurt van de feiten. Hij kon gebruik maken van informatie van tijdsgenoten/streekgenoten. Bij moderne bronnen: de informatie uit de bron klopt nog altijd. De informatie is regionaal bepaald, maar blijft van toepassing op het onderzoeksonderwerp. De auteur heeft het van vrij dichtbij meegemaakt, of heeft de informatie van dichtbij bekeken. | Bij oudere bronnen: de auteur is zelf ooggetuige geweest van de gebeurtenissen. Bij moderne bronnen: de informatie uit de bron is zeer recent, en klopt dus nog altijd. De informatie komt uit een bron die qua plaats overeenstemt met de plaats van je onderwerp. De auteur heeft het zelf meegemaakt of heeft de informatie zelf ontdekt. |
| Hoe? Waarom? | De bron is bedoeld als reclame, propaganda, een vorm van oplichting, humor... Het is niet makkelijk om te achterhalen waar de informatie uit de bron vandaan komt. Het kan gaan om een pamflet van een politieke partij, een reclamefolder, een phishingmail,... | De bron is niet bedoeld als reclame of propaganda, maar het is een heel persoonlijke of subjectieve bron. Ze is bedoeld om persoonlijke meningen te uiten. De argumenten of feiten die in de bron voorkomen zijn heel beperkt. Het kan gaan om een dagboek, een brief, een blog... | De bron is bedoeld als een objectieve weergave van feiten (een nieuwsbericht, een ooggetuigeverslag, een tijdschriftartikel,...). Ze is vooral bedoeld om feiten uiteen te zetten. De argumenten of feiten die in de bron voorkomen zijn vrij uitgebreid. | De bron is een wetenschappelijk artikel of een deel van een naslagwerk. De bron heeft een duidelijke bibliografie en/of gebruikt bronverwijzingen in de tekst. Het is dus heel makkelijk om te achterhalen waar de informatie uit de bron vandaan komt. |